SINDS IK HET WEET

Sinds ik het weet ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het boze woord te noemen, dat bij t spreken
Licht ruw of wat onzuiver klinkt van toon -

Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,
De schoonheid en de zoetheid aller dingen,
Die mij alom omgeuren en omringen,
Nog wl zo liefelijk en wl zo zoet,

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer
Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,
Het is of ieder zintuig en vermogen
Nog fijner werd en scherper dan weleer,

Sinds ik het weet, treed ik, wie ik ontmoet,
De vreemden en de vrienden op mijn wegen,
Ontroerder en vertrouwelijker tegen,
En k groet ze met een vriendelijker groet,

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij,
En vaak, in dernst van t aardse spel verloren,
Zo ernstig en zo diep als ooit te voren,
Gevoel ik soms Gods glimlach over mij.

Jacqueline E. van der Waals


Terug naar overzicht

  Bekijk dit artikel in PDF-formaat Druk artikel af Verstuur artikel